BTL

DE BOND TEGEN LEENWOORDEN

Waarom BTL?
Woordenboek
Webschakels
Stuur ons netpost

Het BTL vertaalwoordenboek
De boekstaaf A


aalmoes (v.; aalmoezen) [<Frans almosne <Latijn elemosina <Grieks eleèmosunè], 1 deernisgift.

aartsbisdom (o.; -men), 1 hoofdsticht [‘sticht’ is een verouderd woord voor bisdom, vergelijk de oude benamingen ‘Het Sticht’ en ‘Oversticht’ voor de gouwen Utrecht en Overijssel].

aartsbisschop (m.; -pen), 1 hoofdstichtsvader.

ablativus (m.; ablativi) [Latijn (letterlijk weggebracht), een woord bedacht door Quintilianus (35-96)], 1 oorsprongsnaamval, zesde naamval.

ablaut (m.; -en) [Hoogduits, een woord bedacht door Jakob Ludwig Karl Grimm (1785-1863)], 1 klankwisseling, klinkerwisseling.

abonnee (m. / v.; -s) [<Frans abonné], 1 ingetekende.

abonnement (o.; -en) [Frans), 1 intekening.

abonneren (wederkerend of overgankelijk werkwoord) [<Frans abonner], 1 intekenen.

abortus (m.; -sen) [Latijn, van aboriri (vergaan, verloren gaan)], 1 ontijdige geboorte, na minder dan 16 weken zwangerschap  »  miskraam; 2 opzettelijk veroorzaakte afbreking van de zwangerschap  »  afdrijving, vazelafdrijving [van het verouderde woord vazel = foetus, ongeboren vrucht].

abrupt (bn.) [Frans <Latijn abruptus, van ab = af + rumpere = breken], 1 kort afgebroken  »  hortend; 2 onsamenhangend; 3 plotseling.

absent (bn.) [(1544) <Frans (± 1185) <Latijn absens], 1 afwezig; 2 verstrooid.

absentie (v.; -s) [<Latijn absentia], 1 afwezigheid; 2 verstrooidheid.

absoluut [(1595) <Frans absolut <Latijn absolutus], I (bn.), 1 niet beschouwd met betrekking tot iets soortgelijks  »  volstrekt; 2 het genoemde ten volle zijnde  »  volkomen; 3 (van stoffen) rein, onvermengd; 4 geheel onafhankelijk  »  onbeperkt;

II (bw van hoedanigheid), 1 volstrekt, geheel.

absorberen (overgankelijk werkwoord) [(1619) <Frans absorber (13de eeuw) <Latijn absorbere (verzwelgen, indrinken)], 1 opslorpen, indrinken (zowel letterlijk als figuurlijk).

absorptie (v.; geen meervoud) [<Frans absorption <Latijn absorptio (opslorping)], 1 (scheikunde) verschijnsel dat een gas of vloeistof in het volume van een vaste stof of vloeistof wordt opgenomen en vastgehouden  »  opslorping, indrinking (voor vloeistoffen in een vaste stof), inzuiging (voor gassen in een vaste stof); 2 (verrichtingsleer) het opnemen (of: het opgenomen worden) van stoffen uit de omgeving door de cellen van een organisme  »  indrinking; 3 (natuurkunde) opname van de energie van een fysisch systeem door een ander systeem  »  opslorping.

abstract (bn.) [<Latijn abstractum = het afgetrokkene, van abstrahere = aftrekken; een Latijnse vertaling van het door Aristoteles gebezigde Griekse woord aphairesis = wegneming], 1 niet als vorm voorstelbaar  »  ontastbaar, onstoffelijk; 2 zich bezighoudend met afgeleide begrippen; (van kunsten) geen verband houdend met de zichtbare werkelijkheid  »  afgetrokken, aftogelijk [het laatste woord is een letterlijke vertaling in het Middelnederlands].

absurd (bn.) [(1548) <Frans absurde of rechtstreeks <Latijn absurdus = onwelluidend, ongerijmd], 1 ongerijmd.

academie (v.; academies of academiën) [(1619) <Latijn Academia <Grieks Akadèmeia, de naam van een beroemd gymnasium in Athene, gesticht in de zesde eeuw v.C. en genoemd naar Academus], 1 vereniging ter beoefening en bevordering van wetenschap, letteren of kunst  »  genootschap; 2 hogeschool.

acanthus (m.; -sen) [Latijn <Grieks akantha (doorn)], 1 zuilbloem [de bladeren werden veel als versiering van Corinthische zuilen gebruikt].

acceleratie (v.; -s) [<Frans accélération < Latijn acceleratio (het verhaasten) van celer = snel], 1 versnelling.

accelerator (m.; -s of -en) [Latijn (versneller)], 1 deeltjesversneller; 2 bepaalde pomp in de carburator van een automotor  »  optrekpomp; 3 middel om een scheikundige reactie te versnellen  »  werkingsversneller.

accelereren [<Frans accélérer], 1 (onovergankelijk werkwoord) optrekken; 2 (overgankelijk werkwoord) versnellen.

accent (o.; -en) [Frans <Latijn accentus of accantus van ad (bij) + cantus (gezang)], 1 nadruk of toonhoogte waardoor een klinker zich van andere onderscheidt  »  klemtoon; 2 nadruk; 3 eigenaardige wijze van uitspraak  »  tongval.

accentueren (overgankelijk werkwoord) [<Frans accentuer], 1 (in alle betekenissen) beklemtonen, benadrukken.

accentvers (o.; accentverzen), 1 heffingvers.

accept (o.; -en) [<Hoogduits Akzept <Latijn accipere (aannemen)], 1 verklaring waarbij een wissel geaccepteerd wordt  »  wisselaanvaarding.

acceptabel (bn.) [<Frans acceptable], 1 aannemelijk, aanvaardbaar.

acceptatie (o.; -s) [<Frans acceptation] , 1 aanvaarding.

accepteren (overgankelijk werkwoord) [<Frans accepter <Latijn accipere], 1 aannemen, aanvaarden.

acceptgirokaart (v.; -en), 1 overschrijvingskaart.

acceptor (m.; -s of -en) [Latijn, hij die iets aanneemt], 1 cel of orgaan die of dat een prikkel opneemt  »  prikkelopnemer; 2 atoom of molecule dat een extra elektron kan ontvangen  »  ontvangstdeeltje.

accessoire (o.; -s) [Frans], 1 bijkomstigheid, (in het meervoud) toebehoren.

accijns (m.; accijnzen) [(1526) onder invloed van cijns (belasting) gevormd uit accijs <Latijn accisia (belasting) van accidere (afsnijden)], 1 ongeld [Middelnederlands].

acclimatisatie (v.; -s) [<Frans acclimatation], 1 luchtstreekgewenning.

acclimatiseren (onovergankelijk of wederkerend werkwoord) [<Frans acclimater], 1 luchtstreekgewennen.

accolade (v.; -s) [Frans (omhelzing), van Latijn collum (hals)], 1 omhelzingshaak.

accommodatie (v.; -s) [<Frans accomodation (het naar iets schikken)], 1 het zich schikken naar de omstandigheden  »  aanpassing; 2 al hetgeen voor het verblijf van personen is aangebracht of ingericht  »  verblijfsvoorziening.

accompagneren (overgankelijk werkwoord) [<Frans accompagner], 1 (in alle betekenissen) begeleiden.

accordeon (o. & m.; -s) [<Frans accordéon <Hoogduits Akkordion, gevormd in 1829 door Cyril Damian van Akkord (akkoord)], 1 balgharp.

accountancy (v.; geen meervoud) [Engels], 1 boekschouwing.

accountant (m.; -s) [Engels <Oudfrans accomptant (rekenmeester)], 1 boekschouwer.

accu (m.; -’s) [Frans (± 1930) verkort uit accumulateur], zie accumulator.

accumulatie (v.; -s) [<Frans accumulation <Latijn accumulatio], 1 opeenhoping.

accumulator (m.; -s of -en) [Latijn (ophoper)], 1 barnkrachtvat [van barnkracht of barnsteenkracht = elektriciteit].

accuraat (bn.) [<Hoogduits Akkurat <Latijn accuratus], 1 nauwgezet.

accuratesse (v.; geen meervoud) [<Hoogduits Akkuratesse <Latijn accuratus], 1 nauwgezetheid.

accusativus (m.; accusativi) [Latijn, van causa (oorzaak), een vertaling van het Griekse aitiakè ptoosis (veroorzaakte naamval) van aitia = oorzaak], 1 vierde naamval.

ace (m.; -s) [Engels <Oudfrans ais <Latijn as], 1 aas.

aceton (o. & m.) [gevormd van Latijn acetum (azijn)], 1 azijngeest.

acidimeter (m.; -s) [<Frans acidimètre, gevormd van Latijn aciditas (zuurheid)], 1 zuurmeter.

acidimetrie (v.) [zie acidimeter], 1 zuurmeting.

aciditeit (v.; -en) [<Frans acidité <Latijn aciditas], 1 zuurheid.

acidofiel (bn.) [van Latijn acidum (zuur) en Grieks philos (beminnend)], 1 zuurminnend.

acne (v.; -s) [In omloop gebracht door een handschriftnaschrijver die in plaats van het Griekse akmè (puntje) aknè schreef], 1 vetpuist; 2 (in het bijzonder) talgklierverhoorning.

acognosie (v.) [gevormd van Grieks akos (geneesmiddel) en gnoosis (inzicht)], 1 geneesmiddelenleer, heelstleer [heelst is een mogelijke vertaling voor medicijn].

aconitine (v.), 1 bepaald alkaloïde dat voorkomt in planten van het geslacht Aconitum, Monnikskap  »  monnikskapbitter [-bitter is het achtervoegsel dat gebruikt wordt voor alkaloïden].

acquisitie (v.; -s) [<Latijn acquisitio], 1 verwerving, werving; 2 aanwinst.

acrobaat (m. ;acrobaten) [<Hoogduits Akrobat <Frans acrobate <Grieks akrobatos (op de tenen lopend)], 1 (oorspronkelijk) snoerdanser; 2 (tegenwoordig) kunstenmaker.

acrostichon (o.; -s) [<Grieks akrostichis, van akros (uitstekend) + stichos (rij, vers)], 1 naamvers, naamgedicht.

acteren (overgankelijk en onovergankelijk werkwoord) [van het Franse acte (toneelstuk in één bedrijf)], 1 schouwspelen, toneelspelen.

acteur (m.; -s), actrice (v.; -s) [(1687) <Frans acteur (13de eeuw)], schouwspeler, toneelspeler.

actie (v.; -s of actiën) [<Frans action of rechtstreeks <Latijn actio, van agere (handelen)], 1 (in het algemeen) werking, handeling ; - (in het bijzonder) rechtshandeling, rechtsvordering; 2 beweging, bedrijvigheid, (in het bijzonder) in actie komen  »  in het geweer komen, ter daad komen; 3 gezamenlijk opgezet en tot uiting gebracht streven  »  daadslag; (in het bijzonder) staking; 4 aandeel in een onderneming  »  aandeel.

actief (bn.) [<Frans actif], 1 (in het algemeen) werkzaam, dadig; 2 in dienst  »  dienstdoend; 3 metterdaad; 4 (van een geldsom) nog te goed  »  uitstaand; 5 (taalkunde) bedrijvend.

activeren (overgankelijk werkwoord) [<Frans activer], 1 actief maken (in het algemeen)  »  verwerkzamen; (in het bijzonder met betrekking tot een scheikundige stof) aanwakkeren; 2 tot actie aanmanen  »  aansporen.

activiteit (v.; -en) [<Frans activité], 1 (in het algemeen) werkzaamheid, dadigheid; - (in het bijzonder) voortvarende werkzaamheid  »  bedrijvigheid; 2 het in dienst zijn  »  dienstdoendheid; 3 radioactiviteit  »  straalwerkzaamheid.

actualiseren (overgankelijk werkwoord) [<Frans actualiser], 1 verwerkelijken; 2 aan de eigen tijd aanpassen  »  verhedendaagsen.

actualiteit (v.; --en) [<Frans actualité], 1 bestaande toestand  »  werkelijkheid; 2 gebeurtenis van het ogenblik of het aan de orde zijn  »  hedendaagsheid, huidigheid, hedendadigheid.

actueel (bn.) [<Frans actuel], 1 huidig, hedendaags, hedendadig.

acupunctuur (v.; acupuncturen) [gevormd van het Latijnse acus (naald) + punctura (het prikken)], 1 naaldprikgeneeswijze, naaldprikgenezing.

acuut (bn.) [<Latijn acutus (scherp, snijdend)], 1 (van ziekten) schielijk; 2 (van kwesties) dringend.

adapter (m.; -s) [Engels <Latijn adaptere (aanpassen)], 1 apparaat om tussen een stopcontact en een steker te plaatsen bij onderling afwijkende systemen  »  verloopstuk, verloopsteker.

adequaat (bn.) [<Latijn adaequatus, van adaequare (gelijk maken)], 1 overeenstemmend met het voorbeeld  »  gelijkwaardig; 2 geschikt voor het beoogde doel  »  gadelijk [het laatste is een verouderd woord met de betekenis „geschikt, wat aard en bestemming betreft, en vandaar gemakkelijk, dienstig voor het gebruik waarvoor de zaak bestemd is” (WNT)].

adhesie (v.; geen meervoud) [<Latijn adhaesio (aankleving)], 1 aankleving, aanklevingskracht.

adjectivum (o.; adjectiva) [<Latijn adiectivus, een vertalende ontlening aan het Griekse epitheton], 1 bijvoeglijk naamwoord, eigenschapswoord.

administrateur (m.; -s) [Frans], 1 onderwinder [zie administratie].

administratie (v.; -s) [<Frans administration <Latijn administratio (beheer)], 1 onderwind (o.; -en) [een verouderd woord, afgeleid van onderwinden (zich met iets bemoeien, later: beheren, besturen, administreren); staat naast bewind].

administratief (bn.) [<Frans administratif], 1 bestuurlijk, onderwindelijk [zie administratie].

administreren (overgankelijk werkwoord) [<Frans administrer], 1 beheren, besturen, onderwinden [het laatste is een verouderd woord (zich met iets bemoeien, later: beheren, besturen, administreren); staat naast het nog gangbare woord bewind van het werkwoord bewinden].

admiraal (m.; -s of admiralen) [Vroeger (1337-) ammiral <Arabisch amir (bevelhebber)], 1 vlootvorst; 2 vlootvorstvlinder; 3 vlaggeschip.

adolescent (m.; -en), adolescente (v.; -s) [Frans <Latijn adolescens (jonge man), van adolescere (opgroeien, volwassen worden), van olescere (groeien)], 1 jongeling.

adolescentie (v.; geen meervoud) [<Latijn adolescentia], 1 jongelingschap.

adopteren (overgankelijk werkwoord) [<Frans adopter <Latijn adoptare (uitkiezen, opnemen in de familie)], 1 ingezinnen.

adoptie (v.; -s) [<Frans adoption <Latijn adoptio], 1 ingezinning.

ad rem (bijwoordelijke verbinding) [Latijn, van ad (bij) + res (zaak)], 1 ter zake.

adrem (bn.) [<Latijn ad rem], 1 gevat, snedig.

adrenaline (v.) [van het Latijnse ad (bij) + renes (nieren)], 1 bijnierwekstof [wekstof = hormoon].

adres (o.; -sen) [(1783) <Frans adresse, van adresser; dresser <volkslatijn directiare (richten). De betekenis ‘verzoekschrift’ uit het Engels.], 1 opgave van woon- of verblijfplaats; opschrift op een brief  »  woonmerk, toeschrift; 2 verzoekschrift.

adresseren [<Frans adresser, zie adres], (overgankelijk werkwoord) 1 een adres zetten op…  »  woonmerken, betoeschriften; 2 richten tot, toeschrijven aan; (onovergankelijk werkwoord) 3 een verzoekschrift indienen  »  verzoekschrijven.

advent (m.; -en) [van het Latijn adventus Domini (aankomst des Heren)], 1 voorhoogtijd [reeds bestaand woord, van hoogtijd ((kerkelijk) feest)].

adventisme (o.) [<Engels adventism, van second advent (wederkomst, van Christus)], 1 wederkomstgeloof.

adventist (m.; -en) [Engels, van second advent (wederkomst, van Christus)], 1 wederkomstgelover.

advertentie (v.; -s) [<Frans advertance <Latijn advertentia (aandacht)], 1 aankondiging, kondmaking [van kond = bekend].

advies (o.; adviezen) [Verlatijnst uit Middelnederlands avijs <Frans avis (raad)], 1 raadgeving, aanrading.

adviseren (overgankelijk werkwoord), 1 aanraden, raadgeven.

adviseur (m.; -s), 1 raadgever.

advocaat (m.; advocaten) [<Latijn advocatus, verleden deelwoord van advocare (tot zich roepen)], 1 raadsman, voorspraak.

advocatuur (v.), 1 raadsliedenstand, voorspraakstand.

aequo [Latijn, zesde naamval van aequus (gelijk)], 1 ex aequo  »  op gelijke voet, gelijkelijk.

aërodynamica (v.) [gevormd van Grieks aèr (lucht) + dynamica], 1 luchtstroomkunde, luchtstromingsleer.

aërostatica (v.) [gevormd van Grieks aèr (lucht) + statica], 1 luchtweegkunde.

afasie (v.) [<Grieks aphasia, van ontkennend a + phasis (spraak)], 1 afsprakigheid.

affaire (v.; -s) [Frans], 1 zaak, daadzaak [van daad < doen zoals affaire < faire; niet te verwarren met het germanisme daadzaak (feit)].

affectie (v.; -s) [<Frans affection], 1 genegenheid; 2 aandoening.

affiche (o. & v.; -s) [Frans], 1 aanplakkaart.

affiniteit (v.; -en) [<Frans affinité], 1 (in alle betekenissen) verwantschap.

affodil [<Latijn asphodelus <Grieks asphodelos], 1 goudkruid [te onderscheiden van ‘stinkende gouwe’ of ‘goudwortel’].

affix (o.; -en) [<Frans affixe], 1 aanvoegsel.

afonie (v.) [<Grieks aphoonia (sprakeloosheid)], 1 geluidloosheid.

afoon (bn.) [<Grieks aphoonos], 1 geluidloos, klankloos, stemloos.

aforisme (o.) [<Grieks aphorismos], 1 zinspreuk.

afrodisiacum (o.; afrodisiaca) [Latijn <Grieks aphrodisiakos (seksueel)], 1 lustmiddel, lustopwekker, geslachtsdriftmiddel.

aftershavelotion (m.; -s) [<Engels aftershave lotion], 1 nascheerwater.

aftersun (m.; -s) , 1 nazonmiddel.

agaat (o.; geen meervoud (als stofnaam) of m.; agaten (als voorwerpsnaam) [(1614) <Frans agate (13e eeuw) <Latijn achates <Grieks achatès, genoemd naar de rivier Achates in Sicilië], 1 groeisteen.

agenda (v.; -’s) [Latijn, meervoud van agendum (dat wat gedaan moet worden), van agere (doen)], 1 chronologosch aantekenboek  »  dagwijzer; 2 lijst van te bespreken punten  »  bespreeklijst.

agens (o.; agentia) [Latijn (doend, handelend), van agere (doen)], 1 (scheikunde) werkstof.

agent (m.; -en) [<Latijn agens, van agere (doen)], 1 (bij de politie) wetwachter, 2 (in het algemeen) zaakvoerder.

agentschap (o.; -pen), 1 zelfstandig onderdeel van een ministerie dat een eigen beheer voert  »  bewindsdienst.

agglomeratie (v.; -s) [<Frans agglomération, van Latijn agglomerare (tot een kluwen winden), van glomus (kluwen)], 1 (in het algemeen) samenklontering; 2 (in het bijzonder van steden) stadskluwen.

agglutineren (overgankelijk en onovergankelijk werkwoord) [<Frans agglutiner <Latijn agglutinare (lijmen aan), van gluten (lijm)], 1 (doen) samenkleven, (doen) samenklonteren.

aggregaat (o.; aggregaten) [van Latijn aggregare (bij iets voegen, eigenlijk bij de kudde (grex) voegen)], 1 (werktuigbouwkunde) werktuigsamenstel; 2 (in het bijzonder) stroomtuig, barnkrachttuig [barnkracht, barnsteenkracht = elektriciteit].

agio (o.; -’s) [<Italiaans aggio <Grieks allagion (het wisselen)], 1 opgeld.

agrariër (m.; -s) [van het Latijnse ager (akker)], 1 landbouwer, boer.

agrarisch (bn.) [<Latijn agrarius (de landerijen betreffend), van ager (akker)], 1 landbouw-, landbouwmatig.

agressie (v.; -s) [<Frans agression <Latijn aggressio (aanval)], 1 aanvallendheid.

agressief (bn.) [<Frans agressif], 1 aanvallend, aanvalzaam; 2 (scheikunde) bijtend, invretend.

agressor (m.; -s) [Latijn], 1 aanvaller.

agronomie (v.) [Van Latijn ager (akker) + Grieks nomos (wet)], 1 landbouwkunde.

aids (m.) [Engels, letterwoord uit Acquired Immune Deficiency Syndrome], 1 voza [letterwoord uit Verworven OntoereikendheidsZiektebeeld van het Afweerstelsel], (minder formeel) afweertering.

aileron (m.; -s) [Frans], 1 rolroer.

airbag (m.; -s) [<Engels air bag], 1 botsbuidel.

airco zie airconditioner en airconditioning.

airconditioner (m.; -s) [Engels], 1 luchtverzorger, luchtregelaar.

airconditioning (v.; -s) [<Engels air-conditioning], 1 luchtverzorging, luchtregeling.

airhostess (v.) [<Engels air-hostess], 1 luchtwaardin.

akkoord (o.; -en) [<Frans accord van accorder <Volkslatijn *accordare, van Latijn cor (hart). Het werkwoord accorder (stemmen van instrumenten) kreeg deze betekenis onder invloed van corde (snaar)], 1 eensgezindheid; 2 overeenkomst, verding (o.) [het laatste is een verouderd woord met als betekenissen „overeenkomst, regeling, schikking, afspraak, beding”]; 3 schikking; 4 (muziek) samenklank.

akte (v.; -n of -s) [<Frans acte (1338) <Latijn actum (handeling)], 1 hoofddeel van een toneelstuk  »  bedrijf; 2 schriftelijk stuk  »  schijn (o. & m.) [een Middelnederlands woord].

alarm (o.; geen meervoud) [<Frans alarme <Italiaans all’arme (te wapen)], 1 wapenroep, noodroep.

alarmeren (overgankelijk werkwoord) [<Frans alarmer], 1 tewapenroepen; 2 verontrusten.

albatros (m.; -sen) [(1763) via Engels (1672) of Frans (1666) <Spaans alcatraz <Arabisch al gattâs. De vorm met -b- ontstond onder invloed van Latijn albus (wit)], 1 kaapse hamel, kaaphamel.

albino (m. & v.; ’s) [Portugees van Latijn albus (wit)], 1 witling.

album (o.; -s) [Latijn (wit bord voor bekendmakingen)], 1 witboek.

alcohol (m.; -en) [(1769) <Arabisch al-kohl (lidwoord + een woord dat ‘antimoonpoeder’ betekent)], 1 benaming voor bepaalde scheikundige stoffen  »  vuurwater; 2 (in het bijzonder) ethanol  »  wijngeest; 3 drank die wijngeest bevat  »  sterke drank.

alcoholisme (o.), 1 drankzucht.

alfabet (o.; ten) [<Latijn alphabetum, gevormd van de namen voor de eerste twee letters van het Griekse alfabet alpha en bèta], 1 stafreeks, staafreeks [van Middelnederlands boekstaf, boekstaaf = letter].

algebra (v.; geen meervoud) [Latijn, ontleend aan de Arabische boektitel al jabr wa’l muqabala], 1 stelkunde.

alibi (o.; -’s) [(1510) <Latijn alibi (elders)], 1 afzijnsbewijs.

alimentatie (v.) [<Frans alimentation van Latijn alere (voeden)], 1 voedgeld.

alinea (v.; -’s) [<Frans alinéa <Latijn a linea (naar de lijn), bij het dictaat gegeven aanwijzing voor ‘nieuwe regel’], 1 lid, tekstlid.

alkali (o.; -ën) [(1615) <Frans alcali (1509) <Arabisch al qily (de alkali)], 1 loogstof.

alkaloïde (v. & o.), 1 bitterstof, bitter.

allegorie (v.; -ën) [<Frans allégorie <Latijn allegoria <Grieks allègoria (beeldspraak)], 1 leenspreuk.

allergie (v.; -ën) [(1935), door de Weense kinderarts Clemens von Pirquet in 1906 voorgesteld, gevormd uit Grieks allos (ander) en het uit energie geabstraheerde -ergie], 1 overgevoeligheid.

allergisch (bn), 1 overgevoelig, overgevoeligheids-.

alliantie (v.; -s) [<Frans alliance], 1 militair bondgenootschap  »  krijgsgenootschap.

alliteratie (v.) [<Frans allitération], 1 stafrijm, beginrijm.

allocatie (v.) [<Frans allocation], 1 toewijzing.

allochtoon (bn.) [gevormd van Grieks allos (een andere) + chthoon (aarde, land)], 1 uitheems.

allochtoon (m.; allochtonen), 1 uitheemse, uitboorling.

all-risk (bw.) [quasi-Engels], 1 vol-schade.

all terrain bike (m.; -s) [Engels], 1 terreinfiets  »  veldfiets.

almanak (m.; -ken) [<Latijn almanachus <Arabisch al-manakh], 1 jaarboekje.

alpino (m.; -’s) [Italiaans], 1 alpenpet, alpenmuts.

alsem (m.) [<Latijn aloxinum <Grieks aloè oxinès (scherpe aloë)], 1 de plant Artemisia absinthium  »  wermoed (v.) [het Middelnederlandse woord, vergelijk ook vermout].

altaar (o.; altaren) [<Latijn altare, van altus (hoog) + ara (altaar)], 1 offertafel  »  offerberd, wijberd [berd = ‘tafel’, zie tafel. Vergelijk ook Oudengels w√≠ohbedd (‘wijbed’). Zie ook offer.].

alternatief (bn.) [<Frans alternatif], 1 afwisselend; 2 niet volgens de geijkte patronen, de heersende normen  »  anderwaardig.

alternatief (o.; alternatieven), 1 wisselkeuze.

altocumulus (m.; altocumuli) [gevormd van Latijn altus (hoog) + cumulus (stapel)], 1 flardenwolk.

altostratus (m.; altostrati) [gevormd van Latijn altus (hoog) + stratus (het uitspreiden)], 1 spreiwolk.

altruïsme (o.) [<Frans altruisme, gevormd door de filosoof Auguste Comte (1798-1857) van Latijn alter (een ander) en Frans autrui (een ander)], 1 onbaatzuchtigheid.

aluin (m.; -en) [<Frans alun <Latijn alumen], 1 scheersteen.

aluminium (o.; geen meervoud, stofnaam) [moderne vorming van Latijn alumen (aluin)], 1 zie het onderwerpblad scheikunde.

aluminiumoxyde (o.), 1 scheersteenaarde.

alveolair, alveolaar (bn.) [<Frans alvéolaire], 1 (taalkunde) tandkasmatig.

alveolair, alveolaar (v.; alveolairen of alveolaren), 1 tandkasklank.

amanuensis (m. of v.; -sen of amanuenses) [van het Latijnse servus a manu (‘slaaf bij de hand’)], 1 handreiker [letterlijke vertaling].

amateur (m.; -s) [Frans <Latijn amator (minnaar), van amare (beminnen)], 1 liefhebber.

ambassade (v.; -s) [Frans], 1 rijksbodehuis.

ambassadeur (m.; -s) [Frans], 1 rijksbode.

ambitie (v.; -s) [<Frans ambition], 1 eerzucht, streefzaamheid, gerigheid [het laatste is een Middelnederlands woord].

ambitieus (bn.), 1 eerzuchtig, streefzaam, gerig [het laatste is een Middelnederlands woord].

ambivalent (bn.) [gevormd van Latijn ambo (beide) + valens (waardig)], 1 tegenwaardig.

ambivalentie (v.; geen meervoud), 1 tegenwaardigheid.

ambulance (v.; -s of -n) [Frans, van hôpital ambulant (lopend hospitaal)], 1 ziekenwagen.

ambulant (bn.) [Frans], 1 lopend; 2 niet-bedlegerig.

amfibie (m.; -ën) [<Grieks amphibios, van amphi (aan beide zijden) + bios (leven)], 1 oeverdier; 2 kikvorsvoertuig.

ammonia (m.; geen meervoud, stofnaam) [van ammoniak], 1 vliegende geest, hertshoorngeest [vroeger werd ammonia wel bereid uit hertshoorn].

amoebe (v.; -n) [<Grieks amoibè (afwisseling), omdat amoeben geen stabiele vorm hebben], 1 slijmdiertje.

amorf (bn.) [<Grieks amorphos], 1 vormloos, schaaploos [Middelnederlands schape = vorm, vergelijk Engels shape].

amplifier (m.; -s) [Engels], 1 versterker.

amplitude (v.; -n of -s) [Frans], 1 slingerwijdte, slingerwaarde, golfwijdte; 2 (kosmografie) morgen- en avondwijdte.

amplitudemodulatie (v.), 1 golfwijdterichting [richting = 'het richten'; zie ook moduleren en frequentiemodulatie].

amputatie (v.; -s) [<Frans amputation], 1 afzetting.

amputeren (overgankelijk werkwoord) [<Frans amputer], 1 afzetten.

amusant (bn.) [Frans], 1 vermakelijk.

amusement (o.; -en) [Frans], 1 vermaak, verstrooiing.

amuseren (overgankelijk werkwoord) [<Frans amuser], 1 vermaken.

anaal (bn.) [<Frans anal], 1 aarslijk.

anabaptisme (o.) [van Grieks ana (opnieuw) + baptizoo (dopen)], 1 wederdoperszin.

anabaptist (m.; -en) [zie anabaptisme], 1 wederdoper.

anachronisme (o.) [van Grieks anachronismos, van ana (terug) + chronos (tijd)], 1 tijdstrijdigheid.

anachronistisch (bn.), 1 tijdstrijdig.

anaconda (v.; -’s) [vermoedelijk een verbastering van Singalees henakandaya], 1 waterboa  »  waterrundslang.

anagram (o.; -men) [van Grieks ana (terug) + graphoo (schrijven)], 1 woord door omkering door een ander woord, letterkeer  »  boekstaafkeer; 2 woord gevormd door verschikking van de letters van een gegeven naam of woord  »  boekstaafwissel [van Middelnederlands boekstaf, boekstaaf = letter].

analfabeet (m.; analfabeten) [van Grieks an (zonder) + alfabet], 1 ongeletterde (door betekenisverschil helaas niet vervangbaar door ongeboekstaafde; voor de andere betekenis van ongeletterde gebruike men een evenwoord als onbelezene).

analfabetisme (o.), 1 ongeletterdheid.

analoog (bn.) [<Grieks analogos (overeenkomstig)], 1 (techniek) met natuurkundige variabelen werkend  »  schaalmatig.

analyse (v.; -n of -s) [Frans <Latijn analysis <Grieks analusis (het losmaken, oplossing)], 1 (in verschillende, doch niet alle, betekenissen) ontleding, ontbinding.

analyseren (overgankelijk werkwoord) [<Frans analyser], 1 ontleden.

anarchie (v.; -ën) [Oudfrans <Grieks anarchia, van a = niet + archè = regering], 1 regeringloosheid; 2 (figuurlijk) wanorde, ordeloosheid, wetteloosheid.

anarchisme (o.), 1 wetteloosheidszin, wettelooszin, wetteloosheidsstreven, stuurlooszin [van het politieke of maatschappelijke stromingen vormende achtervoegsel '-zin'].

anatomie (v.) [Oudfrans <Grieks anatomia (sectie)], 1 ontleedkunde.

anatomisch (bn.), 1 ontleedkundig.

anatoom (m.; anatomen), 1 ontleedkundige.

ancestraal (bn.) [<Frans ancestral <Engels ancestral], 1 voorvaderlijk.

androcentrisch (bn.), 1 manmiddelpuntig.

anemie (v.; geen meervoud) [van Grieks a (ontkenning) + haima (bloed)], 1 bloedarmoede.

anemoon (v.; anemonen) [<Grieks anemoonè, van anemos (wind)], 1 windroos, windbloem (voor bosanemoon gebruike men boswindroos).

anesthesie (v.; geen meervoud) [<Grieks anaisthèsia (gevoelloosheid)], 1 gevoelloosheid; 2 gevoelloosmaking, verdoving.

anesthesiologie (v.), 1 verdovingsleer, verdovingskunde.

anesthesist (m.), 1 verdovingskundige.

angina (v.; geen meervoud) [Latijn <Grieks agchonè], 1 keelontsteking; 2 angina pectoris hartbeklemming, hartkramp.

angiospermen (meervoud) [gevormd van Grieks aggeion (vat, bloembodem) + sperma (zaad)], 1 bedektzadigen.

anglicisme (o.; -n) [gevormd van Latijn Anglicus (Engels)], 1 engelsvorming.

angorageit (v.; -en) [Angora is de oude naam van Ankara], 1 zijdegeit [de geit waar zijdewol (zie mohair) vandaan komt].

anjer (v.; -s) [afgeleid van de plaatsnaam Angera aan het Lago Maggiore], 1 nagelbloem [zo genoemd naar de kruidnagelachtige geur, vergelijk ook hyacint en sering].

anker (o.; -s) [<Latijn anchora <Grieks ankura], 1 zinkel [afleiding van zinken met werktuigvormend achtervoegsel -el]; bodemvest [van vesten (vastmaken)].

anlaut (m.; geen meervoud) [Hoogduits], 1 (taalkunde) beginklank.

anlautend (bn.) [Hoogduits], 1 (taalkunde) beginklinkend.

annaal (bn.) [<Latijn annalis], 1 jaarlijk.

annalen (meervoud) [<Latijn libri annales (jaarboeken)], 1 jaarboeken, geschiedboeken.

annalist (m.; -en), 1 jaarboekschrijver, geschiedschrijver.

annexatie (v.; -s) [<Latijn annexatio (aanhechting)], 1 het annexeren, daad van annexeren  »  aanhechting; 2 het geannexeerd-worden  »  inlijving.

annexeren (overgankelijk werkwoord) [<Frans annexer], 1 inlijven.

annonce (v.; -s) [Frans], 1 aankondiging.

annuïteit (v.; -en) [<Frans annuité], 1 jaarsom.

annuleren (overgankelijk werkwoord) [<Frans annuler], 1 tenietdoen, opheffen.

anode (v.; -n of -s) [gevormd door de Engelse natuurkundige Michael Faraday (1791-1857) naar Grieks anodos (de weg omhoog)], 1 bovennaaf [van naaf = pool, dus positieve pool, zie ook kathode en elektrode].

anoniem (bn.) [<Frans anonyme <Latijn anonymus <Grieks anoonumos (zonder naam)], 1 naamloos.

anorexie (v.; geen meervoud) [<Grieks anorexia, van an (zonder) + orexis (begeerte)], 1 vastzucht [van vasten = niet eten].

anorganisch (bn.), 1 onlevend, niet-levend; 2 (scheikunde) niet-koolstofhoudend.

antagonisme (o.) [van Grieks antagoonistès (mededinger, tegenpartij)], 1 tegenstreving.

antagonist (m.; -en), 1 tegenstrever; 2 (in het bijzonder) tegenspeler van de protagonist in de klassieke tragedie  »  tegenspeler.

antagonistisch (bn.), 1 tegenstrevend.

Antarctica (o.), 1 het vasteland in het zuidpoolgebied  »  Zuidernaafland [van zuidernaaf = zuidpool, zie pool].

antarctis (v.; geen meervoud), 1 zuidpoolgebied  »  zuidernaafgebied.

antarctisch (bn.), 1 zuidernaaflijk.

antecedent (o.; -en) [<Latijn antecedens (voorafgaande)], 1 voorgaande.

antenne (v.; -s of -n) [(1914) < antenna (1906) <Italiaans antenna door G. Marconi (1874-1937) in 1898 toegepast op de draad voor het ontvangen der elektromagnetische golven bij draadloze telegrafie. Het Italiaanse woord antenna (17de eeuw) <Latijn antenna (1492) betekent aanvankelijk ‘voelspriet der insekten’ en is een vertaling van Grieks keros, keraia (voelhoorn) bij Aristoteles], 1 (dierkunde) voelhoorn; 2 ontvangdraad, vangdraad, vangspriet, zendspriet.

antibioticum (o.; antibiotica) [gevormd van Grieks anti (tegen) + bios (leven)], 1 remstof, schimmelheelstof, schimmelheelst [antibiotica komen vaak uit schimmels; het tweede woord heelst is een mogelijke vertaling voor medicijn].

anticipatie (v.) [<Frans anticipation], 1 vooruitloop, vooruitloping.

anticiperen (onovergankelijk werkwoord) [<Frans anticiper], 1 vooruitlopen (op).

anticlimax (m.) [gevormd van Grieks anti (tegen) + klimax (ladder)], 1 stijlfiguur, bestaande in de opeenvolging van woorden of uitdrukkingen die telkens iets geringers aanduiden  »  neertrap; 2 onverwachte, teleurstellende afloop, tegenvallende gang van zaken  »  domper.

anticonceptie (gevormd van Grieks anti (tegen) + conceptie], 1 zwangerschapsvoorkoming, bevruchtingsbescherming, geboortenbeperking.

antidepressivum (o.; antidepressiva) [modern Latijn], 1 neerslachtigheidsweermiddel.

antiek (bn.) [<Frans antique <Latijn antiquus (oud)], 1 van, betrekking hebbend op of afkomstig uit de Griekse of Romeinse oudheid, of in de trant daarvan bewerkt (m.n. van kunstwerken)  »  oudheids-; 2 uit oude tijden afkomstig  »  oudtijds.

antiek (o.; geen meervoud), 1 oude kunstvoorwerpen  »  oudkunst.

antilope (v.; -n) [(1622) <Engels antelope (1607) <Latijn antalopus <Grieks antholops (bloemoog), van anthos (bloem) + ops (blik)], 1 bloemoogbok.

antimoon, antimonium (o.; geen meervoud, stofnaam) [Latijn, waarschijnlijk een verbastering van Arabisch al ithmud = het spiesglanserts], 1 zie het onderwerpblad scheikunde.

antipathie (v.) [(1604) <Frans (1542) <Latijn antipathia <Grieks antipatheia], 1 afkeer, tegeningenomenheid.

antipode (m. & v.; -n) [<Latijn antipodes <Grieks antipodes (met tegen elkaar geplaatste voeten)], 1 tegenvoeter.

antisemiet (m.; -en), 1 jodenhater.

antisemitisme (o.), 1 jodenhaat.

antisepticum (o.; antiseptica), 1 bederfweermiddel.

antiseptisch (bn.), 1 bederfwerend.

antoniem (o.) [<Grieks antoonumia (verwisseling van namen)], 1 woord waarvan de betekenis tegengesteld is aan die van een ander woord  »  tegenwoord.

antraciet (o.) [<Frans anthracite], 1 bepaalde kleur  »  zwartgrijs.

antrax (m.; geen meervoud) [<Grieks anthrax (houtskool, karbonkel)], 1 bepaalde ziekte  »  miltvuur.

antropocentrisch (bn.), 1 mensmiddelpuntig.

antropologie (v.) [gevormd van Grieks anthroopos (mens) + logia (verhandeling)], 1 mensleer, menskunde.

anus (m.; ani) [Latijn (eigenlijk ring en vandaar aars)], 1 aars.

aorta (v.; -’s) [modern Latijn <Grieks aortè], 1 lichaamsslagader.

apathie (v.; -ën) [Frans <Grieks apatheia (het afgestompt, gevoelloos zijn)], 1 lusteloosheid, onverschilligheid.

apologie (v.; -ën) [Oudfrans <Latijn apologia <Grieks apologia (verdediging)], 1 verweerschrift, verdedigingsschrift.

apostel (m.; -en of -s) [<Latijn apostolus (afgezant, apostel) <Grieks apostolos], 1 (ook figuurlijk) geloofsbode.

apotheek (v.; apotheken) [<Latijn apotheca <Grieks apothèkè (bewaarplaats)], 1 geneesmiddelenwinkel, heelstwinkel [heelst (van helen) is een mogelijke vertaling voor medicijn].

apotheose (v.; -n) [<Frans apothéose <Latijn apotheosis <Grieks apotheoosis (vergoding, d.w.z. verheffing tot god)], 1 vergoding, verheerlijking; 2 ophemeling.

apparaat (o.; apparaten) [<Oudfrans apparat], 1 samengesteld werktuig dat dient als hulpmiddel bij bepaalde handelingen of werkingen  »  toestel.

apparatuur (v.; geen meervoud) [<Hoogduits Apparatur <Latijn apparatura], 1 alaam (o.) [een reeds bestaand, gewestelijk woord met de betekenis ‘werktuig’ of ‘gereedschap’].

appartement (o.; -en) [Frans <Italiaans appartamento (flat)], 1 geheel van samenhorende vertrekken als afzonderlijke woongelegenheid in een grotere woning  »  wooneenheid; 2 zie flat (2)

appel (o.; -s) [Frans], 1 (juridisch) beroep, hoger beroep.

appendicitis (v.) [van appendix], 1 aanhangselontsteking, (minder juist) blindedarmontsteking.

appendix (m. & o.) [Latijn], 1 aanhangsel.

applaudisseren (onovergankelijk werkwoord) [gevormd naar Frans applaudissement, van applaudir (applaudisseren)], 1 handklappen.

applaus (o.; geen meervoud) [<Latijn applausus], 1 handgeklap.

applicatie (v.;) [<Frans application], 1 toepassing.

apporte (tussenwerpsel) [Frans], 1 haal!.

apporteren (overgankelijk werkwoord) [<Frans apporter], 1 ophalen, terugbrengen.

appreciatie (v.) [<Frans appréciation], 1 schatting; 2 waardering.

appreciëren (overgankelijk werkwoord) [<Frans apprécier], 1 beoordelen; 2 waarderen.

approach (m.; approaches) [Engels], 1 benadering, aanpak.

april (m.) [<Latijn Aprilis, bijvoeglijk naamwoord bij mensis (maand)], 1 grasmaand, oostermaand [het laatste van de Oudnederlandse naam ‘ostermanoth’, van ‘Oosteren’, de oude benaming voor Pasen].

aquaduct (o.; -en) [<Latijn aquaeductus (waterleiding)], 1 (Romeins) waterleidingsysteem  »  watervoering; 2 brug waarmee een kanaal geleid wordt over een uitholling in het terrein  »  waterbrug.

aquamarijn (bn.) [<Latijn aqua marina (zeewater)], 1 bepaalde kleur  »  zeegroen.

aquaplaning (o.; geen meervoud) [Engels], 1 het slippen van een vliegtuig of een auto, doordat zich een laagje water heeft gevormd tussen het wegdek en de banden, zodat die hun grip op de baan verliezen  »  waterglijden, watergladheid.

aquarel (v.; -len) [<Frans aquarelle <Italiaans acquarello], 1 waterverfschilderij.

arachniden (meervoud) [gevormd van Grieks arachnè (spin)], 1 spinachtigen.

arachnofobie (v.) [gevormd van Grieks arachnè (spin) + phobos (angst)], 1 spinnevrees.

arbiter (m.; -s) [Latijn], 1 scheidsrechter, scheidsman.

arbitraal (bn.) [<Frans arbitral], 1 scheidsrechterlijk.

arbitrage (v.) [Frans], 1 scheidsgerecht; 2 scheidsrechterij.

arbitrair (bn.) [<Frans arbitraire], 1 willekeurig; 2 scheidsrechterlijk.

arboretum (o.; arboreta) [Latijn, van arbor (boom)], 1 bomentuin.

arceren (overgankelijk en onovergankelijk werkwoord) [<Frans hacher (fijnhakken, inkerven, arceren)], 1 schuinstrepen.

archeologie (v.) [<Grieks archaiologia (het verhalen uit het verleden)], 1 oudheidkunde.

archeologisch (bn.), 1 oudheidkundig.

archeoloog (m.; archeologen), 1 oudheidkundige.

archipel (m.; -s) [Frans <Italiaans arcipelago, van Grieks archi- (voornaamste) + pelagos (zee)], 1 eilandenzee; 2 eilandengroep.

architect (m.; -en) [<Frans architecte <Latijn architectus <Grieks architektoon, van archi- (voornaamste) + tektoon (timmerman)], 1 bouwmeester.

architectuur (v.; geen meervoud), 1 bouwkunst.

arctisch (bn.) [van Latijn Arctos ((Grote en Kleine) Beer, noordpool) <Grieks arktos], 1 noordernaaflijk [van naaf = pool].

arduin (o.; geen meervoud, stofnaam) [<Oudfrans ordon], 1 hardsteen.

arena (v.; -’s) [Latijn], 1 strijdperk, krijt (o.).

argument (o.; -en) [Frans}, 1 bewijsgrond.

argumentatie (v.) [<Frans argumentation], 1 bewijsvoering.

argumenteren [<Frans argumenter], 1 (onovergankelijk werkwoord) bewijsvoeren; 2 (overgankelijk werkwoord) betogen.

aristocraat (m.; aristocraten) [<Grieks aristokratès], 1 aanhanger van het denkbeeld dat de leiding in staat en maatschappij alleen moet berusten bij een elite  »  adelmachtstrever.

aristocratie (v.) [<Grieks aristokratia, van aristos (de beste) + kratia (heerschappij)], 1 regering van de aanzienlijksten  »  adelmacht, adelheerschappij.

aritmetica (v.; geen meervoud) [<Latijn arithmetica <Grieks arithmètikè (technè)], 1 rekenkunde.

arrest (o.; -en) [<Oudfrans arest], 1 beslaglegging; 2 hechtenis, voorhechtenis; 3 uitspraak van een gerechtshof of van de Hoge Raad  »  doem [de oude betekenis van dit woord is ‘vonnis’ of ‘oordeel’].

arrestant (m.; -en), 1 iemand die krachtens een bevelschrift of vonnis op iemands goederen beslag legt of doet leggen  »  beslaglegger; 2 iemand die aangehouden is of wordt  »  aanhoudeling.

arrestatie (v.; -s) [<Frans arrestation], 1 aanhouding, inhechtenisneming.

arresteren (overgankelijk werkwoord) [<Oudfrans arester], 1 aanhouden.

arriveren (onovergankelijk werkwoord) [(1518) <Frans arriver <Latijn *arripare (de oever bereiken)], 1 aankomen.

arrogant (bn.) [Frans], 1 aanmatigend.

arrogantie (v.; geen meervoud), 1 aanmatiging.

arrondissement (o.; -en) [Frans], 1 rechtsgebied van een rechtbank  »  rechtsgebied, vierschaarban.

arrondissementsrechtbank (v.; -en), 1 vierschaar [een oude benaming voor rechtbanken].

arsenaal (o.; arsenalen) [(1569), oorspronkelijk evenals Frans arsenal (1395) aanduiding van het tuighuis van Venetië <Italiaans arsenale <Arabisch darsina’a (huis voor handenarbeid, scheepswerf)], 1 tuighuis, wapenhuis.

arterie (v.; arteriën) [<Latijn arteria <Grieks artèria], 1 slagader.

arterieel (bn.), 1 slagaderlijk.

artiest (m.; -en) [<Frans artiste <Italians artista, van Latijn ars (kunst)], 1 kunstenaar, kunstenmaker.

artificieel (bn.) [<Frans artificiel], 1 kunstmatig.

artikel (o.; -en of -s) [<Frans article <Latijn articulus (gewricht, lid, geleding, onderdeel)], 1 elk van de afzonderlijke of als een op zichzelf staand onderdeel beschouwde gedeelten (punten, bepalingen, verklaringen) die met elkaar een wet, belijdenis, overeenkomst enzovoort vormen  »  geleding; 2 opstel, verhandeling geschreven voor en verschijnend in een krant, tijdschrift of ander periodiek  »  schrijfstuk, verhaalstuk [van verhalen = berichten, verslaan]; 3 aan een bepaald woord gewijd stuk in een woordenboek of lexicon, lemma  »  ingang, trefwoord; 4 voorwerp van handel  »  koopgoed, koopwaar; 5 (taalkunde) lidwoord.

artillerie (v.; -ën) [(1516) <Frans artillerie (eind 13e eeuw), dat onder invloed van art (kunst) gevormd is uit het werkwoord atillier (uitrusten, toerusten)], 1 geschut, geschutstuk.

artistiek (bn) [<Frans artistique], 1 kunstzinnig, kunstenaarlijk.

artritis (v.) [gevormd van Grieks arthron (lid)], 1 gewrichtsontsteking.

arts (m.; -en) [(1586) <Hoogduits arzt <Latijn archiater], 1 geneesheer.

asbest (o.; geen meervoud, stofnaam) [<Grieks asbestos (onblusbaar), een leesfout voor akaustinon (onbrandbaar)], 1 steenvlas.

ascendant (m.; -en) [Frans], 1 (sterrenwichelarij) rijzende teken.

aseksualiteit (v.) [van Grieks a (ontkenning) + seksualiteit], 1 amin [van a (duidt ontkenning, afwezigheid aan; zie bv. amechtig (‘onmachtig’); het voorvoegsel on is hier duidelijk niet bruikbaar) en min (liefde). Zie ook heteroseksualiteit, homoseksualiteit, biseksualiteit, pedofilie, necrofilie.

aseksueel (bn.), 1 aminnend.

aseksueel (zn.), 1 aminnaar.

aselect (bn.) [gevormd van Grieks a (ontkenning) + select], 1 willekeurig.

asfalt (o.) [(1604) <Latijn asphaltus <Grieks asphaltos, aan de klassieke volken eerst bekend geworden aan de Dode Zee, die daarom in de Oudheid Asphaltites heette], 1 zwartbruin of zwart mineraal hars  »  aardpek; 2 asfaltbeton, mengsel van gesmolten asfaltmastiek en steenslag of grind, gebruikt voor plaveisel  »  wegteer.

asfalteren (overgankelijk werkwoord), 1 teren, beteren.

asiel (o.; -en) [<Frans asile <Latijn asylum (vrijplaats) <Grieks asulon, van ontkennend a + sulaoo (ik roof)], 1 bescherming vanwege de staat of de kerk verleend aan, respectievelijk gevraagd door personen die elders door de overheid vervolgd worden of kunnen worden  »  toevlucht; 2 opvanghuis; 3 wijkplaats.

asielzoeker (m.; -s), 1 toevluchtzoeker, wijkzoeker.

asociaal (bn.), 1 onmaatschappelijk.

aspect (o.; -en) [Frans <Latijn aspectus (aanblik)], 1 vooruitzicht, uitzicht; 2 elk van de zijden van iets, van waaruit het gekend of beschouwd kan worden  »  aanzicht.

asperge (v.; -s) [<Frans asparge <Latijn asparagus], 1 loot van de wortelstok van de Asparagus officinalis die als groente gegeten wordt  »  wortelspruit [reeds bestaand woord].

assemblage (v.) [Frans], 1 samenvoeging.

assembleren (overgankelijk werkwoord) [<Frans assembler], 1 samenvoegen.

assertief (bn.) [<Engels assertive], 1 weerbaar.

assertiviteit (v.) [<Engels assertivity], 1 weerbaarheid.

assimilatie (v.) [<Frans assimilation], 1 gelijkmaking, gelijkstelling; 2 (taalkunde) klankgelijkmaking.

assistent (m.; -en) [<Latijn assistens (helpend)], 1 medewerker, helper.

assistentie (v.; geen meervoud) [<Latijn assistentia], 1 bijstand, medewerking, hulp.

assisteren (overgankelijk werkwoord) [<Frans assister], 1 bijstaan, ter zijde staan.

associatie (v.; -s) [<Frans association], 1 (psychologie) begripsverbinding.

associëren (overgankelijk werkwoord) [<Frans associer], 1 verbinden, begripsverbinden.

assonantie (v.; -s) [<Frans assonance], 1 klinkerrijm, halfrijm.

assoneren (onovergankelijk werkwoord) [<Frans assoner], 1 klinkerrijmen.

assortiment (o.; -en) [Frans], 1 gevarieerde voorraad goederen  »  warenkeuze.

assumptie (v.; -s) [<Latijn assumptio (aanneming, aanvaarding)], 1 veronderstelling.

assurantie (v.; -s of assurantiën) [<Frans assurance], 1 verzekering, verzekeringsmaatschappij.

astaat, astatium, zie het onderwerpblad scheikunde.

aster (v.; -s) [genoemd naar Grieks astèr (ster), vanwege de aan stralen herinnerende bloembladen], 1 sterbloem, sterrebloem.

asterisk (m.; -en) [<Frans astérisque <Latijn asteriscus <Grieks asteriskos (sterretje)], 1 sterretje.

astma (o. & v.) [moderne ontlening aan Grieks asthma (het hijgen)], 1 aamborstigheid [het eerste deel betekent ‘nauw’].

astmatisch (bn.), 1 aamborstig.

astraal (bn.) [<Latijn astralis], 1 de sterren betreffend  »  sterrelijk.

astrodynamica (v.) [gevormd van Grieks astèr (ster) + dynamica], 1 sterrenbewegingsleer.

astrofysica (v.) [gevormd van Grieks astèr (ster) + fysica], 1 sterrennatuurkunde.

astrologie (v.) [<Latijn astrologia <Grieks astrologia], 1 sterrenwichelarij.

astroloog (m.; astrologen) [<Latijn astrologus <Grieks astrologos], 1 sterrenwichelaar.

astronaut (m.; -en) [gevormd van Grieks astèr (ster) + nautès (schipper, zeeman)], 1 ruimtevaarder.

astronomie (v.) [<Latijn astronomia <Grieks astronomia], 1 sterrenkunde.

astronomisch (bn.), 1 sterrenkundig.

astronoom (m.; astronomen), 1 sterrenkundige.

asymmetrie (v.) [gevormd van Grieks a (ontkenning) + symmetrie], 1 onspiegelbeeldigheid.

asymmetrisch (bn.), 1 onspiegelbeeldig.

asymptoot (m.; asymptoten) [<Grieks asumptootos (niet ingevallen, niet samengevallen)], 1 (meetkunde) naderlijn.

ATB, zie all terrain bike.

atelier (o.; -s) [Frans], 1 werkplaats, werkstede, kunstsmidse.

atheïsme (o.) [gevormd van Grieks atheos (zonder god)], 1 ongodigheid, godloochening.

atheïst (m.; -en), 1 ongodige, godloochenaar.

atheïstisch (bn.), 1 ongodig, godloochenend.

atlas (m.; -sen) [Naam door Mercator in 1595 aan zijn landkaartenboek gegeven. Het boek was versierd met een afbeelding van Atlas, de mythische koning van Mauretanië, die de wereldbol op zijn schouders moest dragen.], 1 boek met geografische of andere kaarten  »  kaartboek, landkaartboek.

atlas (m.; -sen) [zo genoemd door Andreas Vesalius (1514-1564), naar Atlas, de mythische koning van Mauretanië, die de wereldbol op zijn schouders moest dragen], 1 bovenste halswervel  »  hoofdwervel.

atmosfeer (v.; atmosferen) [gevormd van Grieks atmos (damp, stoom) + sphaira (bal, globe)], 1 gasomhulsel van de aarde of andere hemellichamen  »  dampkring.

atoom (o.; atomen) [<Latijn atomus (iets ondeelbaars, atoom) <Grieks atomos], 1 kleinste deeltje van een chemisch element dat daar nog de eigenschappen van bezit  »  oerdeeltje.

atropine (v.), 1 bepaald giftig alkaloïde (bitterstof) dat voorkomt in de Atropa belladonna, de Wolfskers  »  wolfskersbitter.

attachment (o.; -s) [Engels], 1 (computers) aanhangsel, bijlage.

attractie (v.; -s) [<Frans attraction (bekoring)], 1 aantrekking, aantrekkingskracht; 2 trekpleister, vermakelijkheid.

aubergine (v.; -s) [Frans, via Catalaans alberginia <Arabisch al badinjan], 1 eiervrucht, eierwassem (m.) [wassem (vrucht) van het Oudnederlandse woord wasmo of wahsmo, afgeleid van het werkwoord wahson (wassen, groeien), met dezelfde uitgang -sem als in bloesem of bliksem].

audiëntie (v.; -s) [<Frans audience], 1 gehoor.

audio- (eerste lid in samenstellingen), 1 geluids-.

audiovisueel (bn.), 1 beeldgeluidelijk.

auditie (v.; -s) [<Frans audition], 1 proefoptreden.

augustus (m.) [<Latijn Mensis Augustus, genoemd naar keizer Augustus, die in deze maand tot keizer gekroond werd], 1 oogstmaand, arenmaand [het laatste is een Middelnederlands woord, afgeleid van het werkwoord arenen = oogsten].

auslaut (m.) [Hoogduits], 1 (taalkunde) eindklank.

auslautend (bn.) [Hoogduits], 1 (taalkunde) eindklinkend.

autarkie (v.) [<Grieks autarkeia], 1 zelfvoorziening.

auteur (m.; -s) [Frans <Latijn auctor (ontwerper)], 1 maker, schepper; 2 schrijver.

authenticeren (ww.), 1 echtmerken [naar het voorbeeld van 'waarmerken'].

authenticiteit (v.) [<Frans authenticité], 1 bronechtheid.

authentiek (bn.) [<Frans authentique <Latijn authenticus <Grieks authentikos], 1 bronecht.

auto (m.; -’s) [verkort uit automobiel], 1 wagen.

autobiografie (v.; -ën) [gevormd van Grieks autos (zelf) + biografie], 1 zelflevensbeschrijving.

autochtoon (bn.) [<Grieks autochtoon (in hetzelfde land geboren), van Grieks autos (zelf) + chtoon (land)], 1 inheems.

autochtoon (m.; autochtonen), 1 inboorling.

autocraat (m.; autocraten), 1 alleenheerser.

autocratie (v.) [<Grieks autokrateia], 1 alleenmacht, alleenheerschappij.

autodidact (m.; -en) [<Grieks autodidaktikos], 1 zelfonderrichte.

autofocus (m.), 1 zelfscherpsteller.

automatisch (bn.), 1 zelfwerkend.

automatiseren (overgankelijk werkwoord), 1 het invoeren van computers of zichzelf controlerende machines  »  verrekentuiglijken.

automatisme (o.) [Frans], 1 zelfwerkendheid.

automobilisme (o.), 1 wagengebruik.

automobilist (m.; -en), 1 wagenvoerder.

automobiliteit (v.), 1 wagengebruik.

autonomie (v.) [<Grieks autonomia (vrijheid om de eigen wetten te volgen, van autos (zelf) + nomos (wet)], 1 (in het volkenrecht) bevoegdheid zichzelf wetten te geven  »  zelfbestuur, eigenwettigheid.

autonoom (bn.), 1 autonomie bezittend  »  eigenwettig.

autopsie (v.; -s of -ën), 1 lijkschouwing.

autoreverse (m.) [Engels], 1 zelfomkering, zelfdraai.

autorisatie (v.) [<Frans autorisation], 1 machtiging.

autoriseren (overgankelijk werkwoord) [<Frans autoriser], 1 machtigen.

autoritair (bn.) [<Frans autoritaire], 1 eigenmachtig, gebiedend.

autoriteit (v.; -en) [<Oudfrans autorité], 1 gezag; 2 overheidslichaam.

avance (v.; -s) [Frans], 1 toenadering, toenaderingspoging.

avant-garde (v.) [Frans], 1 voorhoede.

avontuur (o.; avonturen) [<Frans aventure <Latijn adventura (de dingen die te beurt zullen vallen)], 1 ongewoon voorval  »  lotgeval; 2 riskante onderneming  »  waagstuk; 3 belevenis, overkomenis.

axioma (o.; -’s of axiomata) [<Grieks axiooma, van axios (waard)], 1 grondregel, grondstelling.

axon (o.; axonen) [van Grieks axoon (wagenas)], 1 zenuwvezel.

azimut (o.) [Frans <Arabisch as sumut (de wegen)], 1 (sterrenkunde) zuiderwijdte, noorderwijdte (afhankelijk van het uitgangspunt).

Terug naar BTL Thuisblad Terug naar Inhoudsopgave